Inhoudsanalyse als argument in fittie over Derksen en Sitalsing

Tussen columniste Sheila Sitalsing en Derksen-minnend Nederland is een fittie losgebroken waarbij inhoudsanalyse een belangrijke rol speelt. Aanleiding voor de telwedstrijd is een tweet van Sitalsing met een foto van de ingezonden brief van Johan Derksen in de Telegraaf.

Tussen columniste Sheila Sitalsing en Derksen-minnend Nederland is een fittie losgebroken waarbij inhoudsanalyse een belangrijke rol speelt. Aanleiding voor de telwedstrijd is een tweet van Sitalsing met een foto van de ingezonden brief van Johan Derksen in de Telegraaf. Daarin heeft de columniste met pen alle verwijzingen van de ik-vorm omcirkeld. In de tweet haar score en de hashtag #DikkeIkGeneratie. Een grappige exercitie waarin ze waarschijnlijk bedoelt dat Derksen vooral heel erg met zichzelf bezig was na een misplaatste grap in zijn voetbaltalkshow VI (21:21).

[Lees dit verhaal als Sway]

Wat Sitalsing er precies mee bedoelt, zouden we moeten vragen, want is mij op basis van de tweet alleen onduidelijk. Is het olie op het vuur? Een originele invalshoek? Hoe dan ook, onder Sitalsings tweet verzamelde zich een schare inhoudsanalisten die druk artikelen van (en met) Sitalsing aan een kwantitatieve analyse onderwierpen. Zo reageerde Michiel Kapteijns direct met resultaten van zijn onderzoek naar een interview dat de columniste gaf aan de NVJ. “Geturfd in @nvj-interview met Sheila Sitalsing: 51 keer ‘ik’, 14 keer ‘me/mij/mijn’. Met tot 4 keer (!!) toe 4 keer ‘ik’ in één zin. Sheila Sitalsing is niet enkel hypocriet, maar vindt zichzelf wel heel erg belangrijk!” Een duidelijker verwijt, moet gezegd. 

Vervolgens ontspon een discussie over de vraag hoe dat (hoge?) aantal dan te duiden: is hier sprake van zelfverheerlijking? Egoïsme? Kunnen we spreken van narcisme wellicht? Is hier iemand heel druk met zichzelf terwijl-ie juist met anderen bezig moet zijn? Kortom: wat betekenen de aantallen die de onderzoekers in de teksten aantroffen?

Al snel werd gewezen op de verschillen tussen de teksten waarin werd geteld en waaruit argumenten werden geput. Derksen schreef een open brief, uit zichzelf. Je zou kunnen zeggen een apologie (of zelfverdediging), Sitalsing werd geïnterviewd over zichzelf, wat het lastig maakt om alle ik-vormen te vermijden. Appels met peren, dus. Waarop probleemloos een opiniestuk van Sitalsing werd gekozen om de exercitie nog eens dunnetjes over te doen. Waarop, de kritiek ter harte nemend, een opiniestuk van Sitalsing werd gekozen om de exercitie nog eens dunnetjes over te doen.

Wetenschap in een notendop. Fantastisch. Maar op deze manier wel wat problematische wetenschap. Het sec tellen van ik-vormen lijkt inderdaad een argument te objectiveren, probleem is dat onduidelijk is wat precies wordt geobjectiveerd. Anders gezegd: waarom tellen we de ik-vormen en wat willen we ermee zeggen? En als we weten hoeveel Derksen en Sitalsing ik-vormen gebruikt, wat zegt dat dan over henzelf? Is het veel, weinig? En, belangrijker, zijn alle getelde ‘ikken’ en ‘me-en’ wel hetzelfde? Een voorbeeld om dat laatste te verduidelijken (verzonnen voorbeelden):

  1. Ze vinden me waarschijnlijk een eikel, in hun ogen ben ik een racist.
  2. Ik ben een enorme eikel en racist, dat maakt mij trots.

In [1] en [2] staan evenveel ‘ikken’ en ‘me’en’ (namelijk twee keer), maar als je een beetje taalgevoel hebt, moet je concluderen dat beide zinnen niet verder uit elkaar kunnen liggen dan dat ze doen. Zin [1] construeert een ik door de ogen van een ander; de zin verwoordt een verwijt aan de ik, geen auto-evaluatie van de ik. Hier schrijft de auteur over zichzelf zoals anderen hem zien. Dat is toch lastig aan de auteur zelf te koppelen, behalve misschien zijn of haar interpretatie van zichzelf. Reflectief dus, los nog van de vraag of het opgeroepen beeld klopt. (Als het beeld dat de auteur van zichzelf oproept niet klopt, en vervolgens begint de auteur dat beeld af te breken, spreken we van een drogreden, namelijk de stroman).

In [2] is sprake van een autobiografische opmerking die vanuit de auteur komt en ook iets over die auteur zegt (waarbij in [1] het predikaat juist wordt bestreden). Dit is zelfbeeld. De twee ik-vormen in zin [2] zouden voor anderen weleens problematisch kunnen zijn (ik denk terecht). Nogmaals, deze zinnen komen niet uit de brief van Derksen (die moet nog worden geanalyseerd), maar zijn voorbeelden over het problematisch karakter van ikken tellen.

Om in de tweestrijd tussen Sitalsing en Derksen-minnend Nederland inhoudsanalyse als scheidsrechter in te zetten, juich ik toe. Wat het nu een beroerde scheidsrechter maakt, is het gebrek aan context die we vantevoren moeten aanbrengen om te begrijpen wat er in de teksten van beide columnisten/journalisten gebeurt met het gebruik van ‘ik’ en ‘me’. Timing en onderwerp speelt een rol (mogen we zomaar een tekst van Derksen vergelijken met elke andere willekeurige tekst van Sitalsing?), medium (VN, Volkskrant versus Telegraaf) en bovenal genre (opinie, interview, apologie). Het oordeel zit niet in het aantal, maar in de betekenis van dat aantal – en die komt uit de context. Want meten is weten, als je weet wat je meet.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.