‘Mogen we u bespioneren’ versus ‘hebben we dat netjes gedaan’?

Wat vindt u van de nieuwe wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Ja, u mag meedenken met een voorstel van minister Plasterk (Binnenlandse Zaken). Niet onterecht, want de wet oude wet houdt te weinig rekening met het feit dat wij nauwelijks meer brieven schrijven en informatie vrij door de lucht wordt verzonden. Om mee te kunnen doen, moeten de diensten ook in onze computers kunnen neuzen, e-mails openen en minimaal metadata kunnen opslaan.

Een eerste consult heeft Plasterk trouwens al op zak. Menso Heus, ‘technology officer’ en expert internetveiligheid bij Free Press Unlimited, wil dat de minister de ‘Big Brother’-wet weer inslikt.  In de bijdrage schrijft Heus:

Free Press Unlimited is niet tegen modernisering van de wetgeving op het gebied van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. We erkennen de noodzaak doelgericht en efficiënt onderzoek te kunnen doen naar personen of organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor de samenleving. Maar overheden die massaal hun eigen burgers bespioneren, vormen zelf de grootste bedreiging voor de samenleving. Dat ervaren wij dagelijks in tientallen landen waar wij werken.

En dat is precies de balans waar het debat over de nieuwe wet op schommelt: de overheid moet, gegeven ontwikkelingen wel de mogelijkheden hebben om burgers te beschermen. Ook op internet. Maar wanneer slaat dat beschermen om in bemoeien en bemoeien om in sturen? Het moge duidelijk zijn dat Heus weinig fiducie heeft in een grens en al helemaal niet in de zelfdiscipline van diensten om zich daaraan te houden. Volledigheidshalve had Heus kunnen wijzen op het rapport Dessens.

Daarin een studie naar de oude wet en aanbevelingen voor een nieuwe en een pleidooi voor meer bevoegdheden om inlichtingen via internet te verwerven. De diensten zijn door de werkelijkheid ingehaald, schrijft Dessens. Maar meer bevoegdheden moet ook gepaard gaan met meer toezicht, voegen de rapporteurs daar direct aan toe. De vraag is nu wanneer dat toezicht moet worden getimed:  voordat van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt of nadien? Dessens pleit voor een evaluatieve toetsing: na de inzet van de bevoegdheden dus.

De evaluatiecommissie is tot de conclusie gekomen dat er, mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM, geïnvesteerd moet worden in het toezicht. Zeker als de
diensten verruimde bevoegdheden zouden krijgen om onderzoek te doen. Omdat de evaluatiecommissie niet  aanbeveelt om in brede zin preventief toezicht op de lastgevingen in te voeren, heeft de evaluatiecommissie bekeken of er andere manieren bestaan om het toezicht op een effectieve manier te versterken. De evaluatiecommissie ziet  mogelijkheden om het toezicht achteraf te versterken (…).

Er blijken twee argumenten tegen preventieve toetsing: 1) de toezichthouder zou invloed op de dienst kunnen uitoefenen en 2) de vraag rijst welke instantie dat preventieve toezicht op zich zou moeten nemen.

Het eerste argument zou juist geen bezwaar moeten zijn, maar duiden op actief toezicht op de dienst. Als de AIVD en MIVD afzien van inlichtingen- en veiligheidswerk omdat de toezichthouder op basis van een toets er geen grond voor ziet, lijkt mij dat geen bezwaar. Het tweede argument kan worden weggenomen door te kijken naar andere landen waar dat preventief toezicht al geregeld is; namelijk in een commissie of bij de rechter. Dat heeft praktische bezwaren, zeker, maar die zijn elders opgelost of acceptabel gebleken. Dessens onderbouwt niet waarom dat in Nederland niet zou kunnen.

De voordelen van preventief toezicht moge duidelijk zijn: de toetsing maakt het mogelijk af te zien van ernstige inbreuk in iemands privacy, in plaats van de constatering dat deze inbreuk niet had gemogen, kortom: de kalf, zijn verdrinkingsdood in de put en het te laat dempen. U kunt nog tot 1 september uw mening laten horen. <<

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.