Kafkaësk panoptisme

Eén uitgewoonde metafoor domineert het debat over privacy versus vrijheid: die van Big Brother uit Orwells 1984. Die andere metafoor over willekeur, slechte data-analyse, machteloosheid en gehaaste reconstructies van niet bestaande werkelijkheden, is misschien nog wel acuter: Kafka’s Het Proces.

Uren, soms daags na een afschuwelijke terreurdaad zoals in Brussel of Parijs volgt steevast de droge constatering dat de namen van de aanslagplegers voorkomen in politie-, justitie-, inlichtingen- of veiligheidssystemen. Na de publieke en morele paniek is het tijd om publicitair verantwoordelijkheden toe te delen: ‘Wij ‘hadden’ hen in beeld, maar ‘zij’ hebben ‘daar’ niks mee gedaan.’ Lekkende overheidsdiensten zwaaien met bewijzen daders al veel eerder in het vizier te hebben gehad: na de brokstukken van de aanslagen moet ook deze ‘fout’ snel van de stoep worden geveegd.

Er volgt een onderzoekscommissie, die soms concludeert dat een aantal institutionele aanpassingen noodzakelijk zijn. Afstemming, coördinatie, communicatie – het kan beter en efficiënter. Dan, als het puin is geruimd en de slachtoffers officieel zijn herdacht, volgt de oproep om meer middelen en mogelijkheden. Deze en toekomstige aanslagen kunnen alleen worden voorkomen door meer data. Gooi het sleepnet maar uit — de inbreuk op uw privacy is noodzakelijk om uw veiligheid te kunnen garanderen.

De metafoor die vaak wordt gebruikt in de afruil van privacy versus vrijheid is die van Big Brother – de alwetende dictator in George Orwells 1984. Een overheid die steeds meer van haar onderdanen weet om uiteindelijk alles over iedereen te kennen. Dit allesziende schrikbeeld (of ideaal — al naar gelang uw positie) is niet nieuw. Jeremy Bentham ontwierp al een architectonische oplossing voor een gevangenis waarbij een enkele bewaker alle gedetineerden in de gaten kon houden door de cellen in een grote cirkel rond een alziend oog in het centrum te plaatsen.

Benthams fysieke oplossing om in een enkele oogopslag te weten wie wat doet, is door de Franse filosoof Michel Foucault omgezet in een machtsstrijd tussen staat en individu. De staat zoekt voortdurend een optimum: een situatie waarin met zo weinig mogelijk middelen zoveel mogelijk risico kan worden uitgesloten.

Was voor de Founding Fathers en Franse revolutionairen het functioneren van de staat het grootste gevaar voor de vrijheid van het individu, met de invoering van de moderne staat is dat adagium omgedraaid: de vrijheid van het individu is nu het grootste gevaar voor het functioneren van de staat. Dus organiseert die staat volgens Foucault die ‘veiligheid’ bijzonder effectief:

‘Degene die onderworpen is aan de zichtbaarheid en zich hiervan bewust is, neemt als spontaan de dwang van de macht over en past deze op zichzelf toe; hij verinnerlijkt de machtsbetrekking door tegelijkertijd beide rollen te spelen, en wordt zo het principe van zijn eigen onderwerping.’

De macht moet zo effectief zijn, voegt de Franse filosoof eraan toe, dat haar ‘feitelijke uitoefening overbodig wordt’. We weten niet wanneer we wel of niet in de gaten worden gehouden – het feit dat we naar dat idee handelen, is voldoende. Foucault noemt dit het panoptisch ideaal. Zo bezien dient het uitwerpen van een sleepnet door inlichtingen- en veiligheidsdiensten twee doelen: 1) het vergaren van data en 2) afdwingen van wenselijk gedrag door mensen die zich gemonitord weten, maar dat niet altijd zijn.

Maar de metafoor van Big Brother (hier uitgebreid met een afgestofte Foucault) vertelt al een tijd niet meer het gehele verhaal over een alwetende overheid, merkte de Amerikaanse jurist Daniel J. Solove in 2001 op. Hij kwam met een nieuwe metafoor: Het Proces van Franz Kafka.

‘Understanding with the Kafka metaphor, the problem is the powerlesness, vulnerability, and dehumanization creatief by the assembly of dossiers of personal information where individuals lack any meaningfull form of participation in the collection and use of their information.’

Het gaat niet om de data, maar om wat daarmee gebeurt. Het gaat niet om het monitoren van mijn gedrag, maar om de (re)constructie van mijn identiteit. Wie genoeg data heeft, maakt van Josef K. een misdadiger. Zonder dat hij zelf weet waarom. Voor zijn en ons aller bestwil natuurlijk – want alleen zo zijn we veilig. En vrij.

‘The Big Brother metaphor is definitely effective at capturing certain privacy problems, but not all privacy problems are the same. I argue that the metaphor fails to capture the most important dimension of the database problem: the nature of our relationships with public and private bureaucracy and the effects of these relationships on human dignity and freedom.’

Zoals Big Brother is gekoppeld aan Foucaults panoptisme, zo is de Kafka-metafoor gekoppeld aan Isaiah Berlins notie van positieve vrijheid. Berlins positieve vrijheid emancipeert – het is een vrijheid ‘om’. U begrijpt wat er gebeurt als u niet vrij wilt zijn: dan wordt u gedwongen. Want laten we wel zijn: wie wilt er nu niet vrij zijn? Sterker: als u niet vrij wilt zijn, wilt u dat anderen mogelijk ook niet vrij zijn. Dat is ontoelaatbaar. Vertaalt naar het sleepnet van inlichtingen- en veiligheidsdiensten: als u niet veilig wilt zijn, dan dwingen we u: u weet niet wat u mist en u bent een risico bovendien.
Tegenover deze positieve vrijheid staat negatieve vrijheid – de vrijheid ‘van’. Het is het domein waarbinnen niemand mag treden. Het is de privacywetgeving die opdringerige partijen blokkeren, die de toegang ontzeggen. Een ontkenning dus – vandaar: negatieve vrijheid. Een vrijheid die te prefereren is, aldus Berlin, boven positieve vrijheid.

Want het is eenvoudiger om grenzen aan te geven waar we niet over gaan dan om een ambitie aan te geven zonder einde, zoals Plasterks ‘veilige samenleving’. Emancipatie stopt nooit, is nooit af en heeft een voortdurende werking. Er is geen grens. Positieve vrijheid dendert door en over mensen: zonder eieren breken is het immers lastig omeletten maken.

Wie eindeloos veel data binnenhaalt, heeft eindeloos veel mogelijkheden om een gewenste werkelijkheid te construeren. En daar zit de kneep: alle gegevens die ik construeer, de sporen die ik achterlaat, de activiteiten die ik ontplooi zijn indicatoren van mijn gedrag en niet per se indicatoren zijn van mijn identiteit. Ik ben niet wat ik doe en ik doe ook niet altijd wie ik ben. De data die ik genereer, zegt alleen iets over de dingen waarmee ik die data genereer. Tussen die data en mijn identiteit zit een sterke overlap, maar geen perfecte causaliteit. Het Proces van Kafka gaat over de onmacht die Josef K. ervaart om die veronderstelde causaliteit los te koppelen: hij is niet degene die hij doet.

Kafka wijst ons op de gevaren van constructivisme: met voldoende data is het eenvoudig om motivatie en identiteiten toe te dichten aan verdachten. Het is eenvoudig om narratieven te spinnen waarin groepen of individuen vallen en dus wel schuldig moeten zijn. Hoe groter de dataset, hoe eenvoudiger een verhaal plausibel is te maken. Maar hoe plausibel is dat verhaal? Met andere woorden: hoe valide is het antwoord op de vraag van de behaviorist die na een heftige vrijpartij met een collega-psycholoog vraagt: “Ik zie dat je erg hebt genoten, hoe vond ik het?”

Het gaat om de kwaliteit van de analyse, niet om de kwantiteit van de data. Verdachten zitten vaak in een systeem, ze komen er alleen niet op tijd uit. ‘Meer’ zorgt niet voor ‘eerder’. Het verschil tussen beide is het verschil tussen kwantiteit en kwaliteit. Plasterk moet geen wet wijzigen omdat hij ‘meer’ data wenst, hij moet de wet aanpassen omdat er ‘anders’ met bestaande data moet worden omgegaan. En ook zonder nieuwe wet lukt dat — als we de AIVD mogen geloven, tenminste.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.