Van der Lubben

Social Journalism

Laat Asscher Spekmans klus afmaken

,,Ik wil geen bende achterlaten”, tekende politieke redacteur Frank Hendrickx (Volkskrant) op uit de mond van Hans Spekman. ,,Alsjeblieft leden, laten we het nu zorgvuldig doen.” Of hij tot oktober dit jaar de reorganisatie die hij was gestart ook mocht afmaken. Daar komt na de historische verkiezingsnederlaag een flinke klus bij: met negen zetels in de Tweede Kamer zit de PvdA te ruim in het jasje dat voor 38 zetels op maat was gesneden. Dat wilde Spekman graag zelf reorganiseren. Bijna tweederde van de leden, zaterdag 18 maart bijeen in Utrecht, gaf Spekman de maanden waarom hij vroeg. Dat is mijn inziens onverstandig.

GroenLinks leegzuigen

’s Avonds, bij Nieuwsuur vond campagnestrateeg Hans Anker dit ook onverstandig. Niemand moet nu bij de PvdA over zijn graf regeren (dat zei Anker niet, maar bedoelde hij wel). Hij wilde nieuw elan: een jonge, frisse voorzitter die op heel natuurlijke wijze via sociale media GroenLinks kon leegzuigen. Een aloud militair-strategisch adagium: generaals en strategen vechten in elke nieuwe oorlog hun vorige nog eens uit. Klaver had jongeren aan zich gebonden – daar lag nog groeipotentieel, blijkbaar. Anker zag kansen.

Kijk scherper

Ergerlijker was Ankers denken in kanalen en niet in de boodschap. Sociale media is geen doel op zich, maar een middel dat mogelijkheden biedt de boodschap heel specifiek naar een doelgroep toe te snijden. Dat veronderstelt dat de PvdA weet welke boodschap dat is en wie daar gevoelig voor is, vragen die nu nog los staan van de vraag wie dat dan moet doen. En als je de kunst bij GroenLinks afkijkt, kijk dan net even scherper.

Politiek talent

GroenLinks koos na de diepe crisis van Sap voor een bedaarde, oude, wijze man: Bram van Ojik. Hij stelde eerst orde op zaken binnen de partij. Hij won zelfs de titel van Politiek Talent; het kan verkeren. Hij bufferde tussen de chaos na Halsema’s vertrek en de pogingen van Sap er wat van te maken en de komst van Jesse Klaver. Hij plaveide de weg voor het talent van deze campagne, overwon weerstand binnen GroenLinks voor deze snotneus en zette hem niet, zoals de PvdA met Asscher heeft gedaan, vol in de wind.

Stempelen

De PvdA heeft ook zo’n buffer nodig: geen zittenblijver (Hans Spekman) dus en ook nog geen jonge, frisse knul (een Jesse Klaver, maar dan als voorzitter). Eerst even de boodschap en de doelgroep. Laat Asscher een duidelijker stempel op die partij drukken. Net als een voetbaltrainer niet alleen het eerste traint, maar de hele club achter het belangrijkste elftal organiseert: van lijnentrekker tot linksbuiten, van jeugd tot senioren. Kortom: laat Asscher Spekmans klus afmaken. Met 9 zetels in de oppositie heeft hij er genoeg tijd voor. <<

Paradox van politieke zichtbaarheid

Politici moeten zichtbaar zijn – maar dat maakt ze ook kwetsbaar. Wie het beste met dit dilemma kan omgaan, wint stemmen en daarmee de verkiezingen. 

Het medianet sluit zich rond campagnerende politici. Als omroepen of kranten niet direct verslag doen van hun whereabouts, dan doen ze dat zelf wel. Ze zijn live te volgen op Facebook en Twitter. Ze zijn zo aanwezig, dat hun afwezigheid vragen oproept. Zichtbaarheid, claimde de socioloog  in 2007, zou een nieuwe categorie in sociale wetenschappen moeten zijn, zoals gender, macht en klasse.

Zichtbaarheid, door Brighenti opgedeeld in herkenning en controle, heeft volgens John B. Thompson politieke consequenties: het maakt politici in het media-tijdperk kwetsbaar.  In Johnsons Political Scandal – Power and Visibility in the Media Age haalt hij talloze casus aan waarin politici voortdurend struikelen over een essentieel dilemma. Enerzijds is zichtbaarheid een noodzakelijke voorwaarde voor hun voortbestaan, anderzijds maakt het hen kwetsbaar. Herkenning en controle strijden hier om voorrang.

Zichtbaarheid is ook een politieke kwaliteit. ,,Waar is [vul hier de naam van een politicus in]” is geen kwalificatie van bewondering, maar kritiek op de afwezigheid (en daarmee onzichtbaarheid) van een politicus. Onzichtbaar maakt immers oncontroleerbaar, duurzame onzichtbaarheid onherkenbaar. Precies dat dilemma fnuikte Wilders toen hij besloot geen campagne te voeren na problemen onder zijn bewakers: onzichtbaar voelde veiliger, maar heeft ook een electorale prijs.

Net als Koks gestuntel met een muis, Balkenendes gestuntel op een skateboard, Roemers gestuntel bij de Algemene Beschouwingen, de opgestroopte mouwen van Klaver, het lekkere kontje van Bos … Het heeft niets met de inhoud, maar alles met de zichtbaarheid te maken. Het weerhoudt ons niet van een rationeel oordeel over de betreffende politici, het zijn belangrijke argumenten bij dat oordeel over die politici.

 schreven er een prachtig artikel over: Image management, stunts and dirty tricks: the marketing of political brands in television campaings. Mind you: al in 1992. Een campagne combineert strategie met onzekerheid: het eerste is de rationaliteit van politiek, het tweede hetgeen moet worden bestreden. 

De reductie van onzekerheid kan alleen door het imago van politici te kneden: boodschap, uiterlijke verschijning en de context waarbinnen z/hij optreedt. Gedrag van de concurrentie valt buiten de span of control (behalve in autoritaire regimes uiteraard, waar dissidenten worden opgesloten – onzichtbaar gemaakt). 

Politici willen zichtbaar zijn, maar zoeken voortdurend naar het optimum tussen maximale herkenning en minimale controle. Het eerste is een voorwaarde om gekozen te worden, het tweede een risico dat dat niet lukt. Die strijd moet uiteraard buiten beeld plaatsvinden, maar soms breekt die toch uit de coulissen. Zoals de afzegging van Rutte en Wilders na ‘geschonden’ afspraken tussen hen en RTL, Krols vermoeidheid na een ziekenhuisbezoek, Marian Thiemes bijna totale onzichtbaarheid … Genoeg te zien dus.

Outrage als politieke pornografie

Michael van der Galiën, hoofdredacteur van De Dagelijkse Standaard, heeft grootste plannen met zijn site. In een gesprek met NRC-redacteur Reinier Kist, stelt hij: „Misschien zijn we weleens ongenuanceerd. Maar we pretenderen ook niet neutraal te zijn. Als een links iemand zegt: genuanceerd stuk was dat, dan zijn we slecht bezig.” Politiek activisme op de rechtervleugel van Nederlands bestel meets innovatieve, snelle en vooral online journalistiek. Het is een kunst die in Amerika inmiddels is uitgegroeid tot een nieuw genre in het politieke discourse: outrage.

Zover is het in Nederland nog niet. Net als in Amerika zijn er wel blogs met een duidelijke politieke voorkeur (rechts) en stijl (hard), wat hier mist is een veel bredere journalistieke infrastructuur dan een blog alleen die ook aansluiting vindt bij een politieke stroming. Maar: zoals DDS laat zien, zijn er kansen. Amerika heeft al wel een netwerk aan talk radio, met hun eigen sterren (en achter haakjes de omvang van hun publiek in miljoenen luisteraars): Rush Limbaugh (14,75); Sean Hannity (14); Michael Savage (8,75); Glenn Beck (8,25); Mark Levin (8,25) die hun fans dagelijks trakteren op fikse scheldpartijen tegen alle denkbare (linkse) hobby’s.

Industrieel

Zonder uitzondering oer-conservatieve presentatoren die soms, bevangen door hun eigen vitriool niet alleen het media-, maar ook het politieke landschap weten in te bepalen, amper weersproken door links en/of progressief Amerika. Jim Bohannon is de eerste onafhankelijk presentator die in de lijst van Jeffrey Berry en Sarah Sobieray voorkomt met een schamele 3,75 miljoen luisteraars. Links laat zich vertegenwoordigen door Keith Olbermann, Leonard Pitts of Rachel Maddow met beduidend minder ‘fans’ – want zo moeten we de het publiek volgens Berry en Sobieray toch noemen. Zij namen dat publiek, de content en retorica van talk radio en blogs onder de loep en stuitten niet alleen op aanwijzingen voor een nieuw genre in de politieke communicatie, zij vermoedden zelfs een industrie.

Gematigd midden 

Er worden miljoenen verdiend met outrage. Aan beide extreme zijden van het Amerikaanse politieke spectrum wordt door bloggers en radio-presentatoren het adagium dat het goed stemmen winnen is in het gematigde midden, dagelijks weerlegd. Maar waarom is die industrie zo succesvol? Berry en Sobieraj geven twee verklaringen: een perfect storm van politiek-economische deregulering van het Amerikaanse medialandschap in combinatie met de opkomst van internet, waardoor de productie- en distributiekosten van journalistiek onderuit ging enerzijds; en de nichificatie van het Amerikaanse media-publiek, gecombineerd met steeds nauwkeuriger marketingtechnieken om heel specifieke doelgroepen te bereiken, anderzijds.

Perfecte storm

Internet biedt iedereen de mogelijkheid om met nul investeringen een blog te starten vanwaaruit de politieke elite de maat wordt genomen. Kabeltelevisie en -radio kunnen steeds directer niches in de markt bedienen die voor adverteerders interessant zijn. U heeft een handel in buitensportartikelen? Wij hebben een programma waarin we het publiek voorbereiden op het einde der tijden, die door het presidentschap van Barack Obama onafwendbaar lijkt. Uw advertentie om zich op het armageddon voor te bereiden bereikt bij ons precies uw ‘klanten’.

Aanstootgevend

Dat de inhoud van de programma’s aanstootgevend is, wordt ook door bedrijven ook strategisch ingezet. Sex, geweld en schokkende beelden verkopen; ‘pop’ heet dat in de media-industrie. Outrage is niet succesvol ondanks het feit dat een deel van het Amerikaanse publiek er voortdurend door wordt beledigd (zwarten, rednecks, bijstandstrekkers, decadente rijkdom en belastingontduikers, linkse en rechtse looneys, politieke correctheid en domheid) maar dankzijOutrage is politieke pop of, stelliger: politieke porno. Niemand kijkt er naar, toch floreert het op internet … guess why.

Product

Het pluspunt van outrage als product is de unieke mix van nieuws en conversatie, stellen Berry en Sobieraj. Feitelijkheid, tijdelijkheid, urgentie gegoten in een lange rant die luisteraars vooral bevestigen en bevredigen in hun (politieke en maatschappelijke) gelijk. Presentatoren brengen geen nieuws noch een dialoog, maar een mengvorm. Ze brengen outrage als beleving en ervaring. Een genre: de stijl blijft hetzelfde, ongeacht de plek die de makers innemen op een van beide extremen van het politieke spectrum. Daar biedt outrage troost en

… provides flattering, reassuring environments that make audience feel good. Fans experience them as safe havens from the tense exchanges they associate with crosscutting political talk they may encounter with neighbors, colleagues, and community members.

Een gevoel dat wij allemaal wel eens hebben gehad als we met professionele politici in debat raakten die ons er fijntjes op wezen dat ons ‘probleem’ een uitdaging bleek, onze vraag niet de ‘juiste’ was en, concluderend, onze ‘gevoelens’ incorrect of niet ter zake doende waren, maar in ieder geval weinig rationeel. Het gevoel niet serieus genomen te worden, neemt deze groeiende industrie in Amerika weg. Beide auteurs zien dus ook een toename van politieke betrokkenheid in Amerika. En dat levert geld op: jaarlijks is de industrie goed voor miljoenenomzetten, presentatoren zijn sterren met een uitdijende business van boeken, theatertours en, belangrijker: politieke invloed.

When we asked a Tea Party leader from Idaho how he came to be involved in the Tea Party, he replied: “Michael Savage”. He added: “He just gets my blood boiling. He’s the reason I investigated the Tea Party.” 

Het verband tussen outrage en Tea Party is vele malen complexer dan deze eenvoudige oorzaak-gevolg, schrijven Berry en Sabieraj direct. De geboorte van de Tea Party-beweging wordt wel gelegd bij de agressieve kritiek van CNBC-presentator Rick Santelli op de beurs in Chicago, 19 februari 2009. Daar ageerde hij, live op televisie, tegen plannen van Obama om Amerikanen met hypotheekproblemen een helpende hand toe te steken. Waarom zou iemand nog zijn schulden afbetalen, schreeuwde hij? Het was tijd voor een Tea Party – verwijzend naar het begin van de Amerikaanse revolutie.

Rant

De beweging die uit die rant voortkwam, was decentraal georganiseerd. Het kreeg in het begin nauwelijks aandacht in reguliere media, maar bleek goud materiaal voor de talk radio shows die de kritiek op de (Democratische) politieke elite graag uitvergrootte. De Republikeinse elite had gefaald in de aanpak van Clinton, nu was het volk zelf aan zet om Obama aan te pakken: bottom up, eerst nog ongecoördineerd, maar al snel nam talk radio die functie op zich. Nieuwsbrieven, blogs en radio bleken belangrijke randvoorwaarde voor de groei en daardoor politieke impact van deze grassroots beweging en verstevigde de greep van outrage op het politieke debat en handelen.

Politieke incorrectheid 

Het hielp dat activisten niet te beroerd bleken om town hall meetings waarin senatoren verantwoording afleggen jegens hun achterban, te verstoren. Dat bleken buitengewoon mediagenieke acties. Wie een zetel wilde behouden of veroveren, kon niet om deze groeiende groep activisten heen – goed- of afgekeurd door de outrage industry van blogs en radioprogramma’s: Berry en Sabieraj noemen de industrie dan ook het centrale zenuwstelsel van de Tea Party-beweging -czo succesvol ook dat de industrie de Tea Party is overstegen en op eigen benen kan staan. En daarmee trekt de industrie de compromisbereidheid en het taalgebruik langzaam maar zeker uit het centrum van de politiek. Precies de natte droom van DDS.

__

Berry, J. M., & Sobieraj, S. (2013). The outrage industry: Political opinion media and the new incivility. Oxford University Press.

Waarom journalisten wel moeten zeuren over Trumps opstelling

Niet lullen maar poetsen! Zo luidt Arendo Joustra’s (hoofdredacteur Elsevier) kritiek op de houding van Amerikaanse en Nederlandse journalisten op Trumps fratsen in en met de media. In een meeslepend betoog voor soevereine journalistiek schrijft Joustra:

Het ergste lijkt gelukkig voorbij, maar wat een aanstellerij van journalisten hebben we de afgelopen weken mogen aanschouwen. Wat hadden ze het moeilijk met de nieuwe Amerikaanse president. Hij loog en bedroog, was niet aardig voor ze en bediende zich van ‘alternatieve feiten’. Hele pagina’s werden gevuld met zorgelijke beschouwingen en geklaag.

En hij heeft natuurlijk gelijk. De pers moet niet zwijmelen in zelfbeklag en de blik niet steeds dieper de eigen navel in jagen, maar aan de slag met de feiten die bij Trump meer dan bij elke andere president voor het oprapen liggen. Want, voegt Joustra toe aan zijn zweep over het klagende journaille: ,,(…) wat verbaast aan de hele opwinding, is dat journalisten er blijkbaar vanuit gaan dat een president, dat politici, de waarheid spreken.”

Voorbeeldig gedrag

Journalisten, stelt Joustra, moeten ,,niet zo gepijnigd (…) reageren als politici en zelfs de president ze beschimpt”. Journalisten zijn geen knechten die zich laten ,,prijzen of straffen”. Zijn voorbeeld: William L. Rivers, hoogleraar te Stanford en auteur van het in 1970 verschenen standaardwerk over de relatie tussen pers en politiek The Adversaries. Politics and the Press. Daarin argumenten voor de noodzaak van geciviliseerde vijandigheid tussen verslaggevers en politici.

Schadelijke veroordelingen

Daarin trouwens ook een (afsluitend) hoofdstuk waarin Rivers fijntjes uitlegt waarom het bijzonder schadelijk voor de journalistiek en democratie is als officials journalisten de maat nemen. Kritiek op de journalistiek is nodig, zeker. Het mag allemaal wel wat scherper – de enige juiste manier om politici te bezien, is sceptisch. Maar die kritiek is vooral voorbehouden voor het publiek. Politici mogen hun pijlen niet op journalisten richten.

Stress

De macht van een (vice)president om zo de houding van journalisten te bepalen, is te groot, schrijft Rivers. De consequenties voor de kwaliteit van de informatie waarmee burgerschap inhoud krijgt, daardoor ook. Dan ben je een slapjanus, als dat jouw houding bepaalt, hoor ik Joustra denken. Herbert Gans schreef er al over in die andere klassieker – Deciding What’s News. Daarin een heel hoofdstuk over druk, censuur en zelf-censuur. En druk van bronnen om nieuws aan te passen is een dagelijks terugkerend fenomeen waar journaliste mee moeten dealen. De druk van een president is dan heel hoog en we zijn nu eenmaal niet allemaal Arendo Joustra. En Gans en Rivers begrijpen dat maar al te goed.

Beproefde strategie 

Rivers’ casus waarin een official directe kritiek geeft op het functioneren van journalisten gaat over twee speeches van vice-president Spiro Agnew (onder Richard Nixon), november 1969. Daarin vreegt Agnew de vloer aan met liberale journalisten die de boodschap van zijn baas voortdurend ondermijnen. Eerst zijn televisie commentatoren aan de beurt (luister even naar onderstaande video), niet veel later richt hij zijn pijlen op het krantenjournaille. Zo’n speech voor eigen publiek als beproefde strategie om de pers in het gareel te krijgen, kennen wij van Trump en was in 1969 al niet nieuw. Tricky-Dick Nixon is de bedenker en droogde in 1962, toen nog in opdracht van zijn baas, Eisenhouwer, de Amerikaanse pers af.

Frontale aanval

In 1969 stuurde hij dus Agnew om het klusje te klaren en, schrijft Rivers: ,,Agnew’s basic complaints was that liberal TV commentators muted the effect of (…) [Nixona] address [over Vietnam] during their own half-our discussions conducted immediately after the President concluded.” De media hadden de boodschap van de president moeten doorgeven, niet achteraf en plein public nog eens vertekenen en al helemaal niet moeten becommentariëren. Wie, sprak Agnew zijn publiek toe, heeft nu het meeste recht van spreken – een gekozen president of de zelfbenoemde experts?

Daar kwam een tweede speech achteraan: gericht tegen krantencommentatoren. Nixon was klaar met die vrije jongens die van de zijlijn zijn levenswerk kapot analyseerde. Agnew moest het maar eens gaan zeggen. En wat hij zei, klopte van geen kant. Nee, er was geen sprake van een ‘redactionele monopolie’ bij de Washington Post die ook Newsweek en een groot aantal radiostations in handen had. De Post had de voordracht van Nixon voor het Hooggerechtshof Clement Haynsworth wel gesteund, WTOP-TV niet, net zomin als de cartoonist Herblock. En: de Post was niet, Newsweek was wel tegen de oorlog in Vietnam, checkte Rivers in zijn boek.

Maar: de kritiek op de pers is terecht, schrijft Rivers: ,,But if criticism is to be useful, it should not come from officials whose words may be fearsome (bold, SvdL).” En angst was er na deze woorden, noteert Rivers. Daags na de donderspeech van Agnew mocht Nixon kritiekloos leeglopen op televisie. Alleen de toonaangevende criticus Tom Wicker (New York Times) durfde de woorden van Nixon te toetsen. Ook daaruit bleek dat de president loog. Commentatoren, aangesproken door Agnew, waren zo verstijfd door diens eerdere kritiek, dat ze slechts doorgaven wat Nixon had gezegd. Zonder check. Hier was een volk verlakt. Rivers besluit zijn boek dan ook:

No, what is needed is not criticisms from officials, although the adversary relationship assures that they will be heard. The explicit need is for a citizenry that understands mass communication and how it works, and is prepared to criticize it, challenge it, and require that it live up to its best possibilities.

  • Gans, H. J. (1979). Deciding what’s news: A study of CBS evening news, NBC nightly news, Newsweek, and Time. Northwestern University Press.
  • Rivers, W. (1971). The adversaries: Politics and the press.

Onmacht. Waarom de PvdA verliest

Wie is voorbereid, is niet verrast. Dus  bedenk ik nu al waarom de PVV op 15 maart de grootste partij van Nederland gaat worden. De zittende macht wordt mijn inziens afgestraft op hun eigen essentiële dossiers. De VVD op belastingen en de zwaardmacht, de PvdA op arbeid. AFLEVERING 2 (SLOT): Wegmoffelen.  

,,Het is van belang om de organisatie van arbeid aan te passen aan de economie en samenleving die we wensen, en in dat kader flexibel werkenden de nodige zekerheden te bieden”, is de openingszin van het persbericht dat met het rapport Voor de zekerheid vorige week werd meegestuurd. Een WRR-rapport dat het campagneteam van de PvdA maar beter kan wegmoffelen. De flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt heeft vier jaar op Asschers ministeriële agenda gestaan, zonder noemenswaardige gevolgen.

De arbeidsmarkt zit op slot. Mensen komen door hun flexibele contracten niet meer toe aan huisje, boompje, beestje. Een tijdelijke baan betekent een lage hypotheek, betekent blijven wonen in een huurhuisje en de hele keten propt zich vol nog voordat er iemand met zijn leven is begonnen. In het Leidsch Dagblad analyseerde Gijs van Dijk (oud-FNV’er, nummer 5 op de PvdA-lijst) dat de onzekerheid die hieruit voorkomt mogelijk leidt tot electorale successen van de PVV.

Anders gezegd: nog nooit was ons welzijn zo direct aan arbeidsverhoudingen gekoppeld, zelden is zo’n breed erkend sociaal probleem zo naadloos op het lijf van een partij geschreven: de PvdA. En we moeten naar Denemarken om een verhaal te halen. Want zij zijn gidsland, als we Nieuwsuur mogen geloven.

Het Akkoord van Wassenaar ruilde in 1982 arbeidstijdverkorting uit tegen loonmatiging en doorbrak een gestagneerde economie. Het bleek een kantelpunt voor de Nederlandse verhoudingen. Waarom is er nu geen Akkoord van Kopenhagen waarin versoepeling van ontslagrecht wordt uitgeruild tegen versterking werknemers op de arbeidsmarkt – het Deense model? Dat is een verhaal, want het verhaal van de PvdA nu is mager: de Wet werk en zekerheid. Van Lodewijk Asscher.

Drie jaar geleden werd die aangekondigd en als het einde van de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt en stuitte toen al direct bij de invoering op kritiek van de Raad van State, arbeidsrechtadvocaten en (niet lang na de invoering) bij MKB Nederland. En sinds de invoering is die kritiek alleen maar toegenomen. Maar, schreef ik in het Leidsch Dagblad (januari): 

Het aantal vaste contracten steeg, maar het aantal flexibele banen steeg harder. Ondernemers blijken geen vast personeel aan te nemen als ze het werk dat er is ook door anderen kunnen laten doen. Precies die mentaliteit, stelt Van Dijk tijdens de borrel zaterdag, moet veranderen en is nu dus speerpunt van zijn campagne.

Speerpunt van de PvdA-campagne is de mentaliteit bij Nederlandse ondernemers. De PvdA bestrijdt het opkomend populisme, gevoed door de onzekerheid op de arbeidsmarkt, voortkomend uit de flexibilisering van arbeid, met een sneer aan werkgevers: jullie profiteren ook van dit land, dus neem dan eens je verantwoordelijkheid! Neem mensen aan in vaste dienst als het werk er is. Maar waarom zouden zij, als iedereen hoog is opgeleid, er genoeg werknemers zijn om uit te putten? Waarom kiest de Partij van de Arbeid dan niet voor versterking van de werknemers (Deense Model), maar doet zij een beroep op de werkgevers zich te schikken naar hun ideaal?

Dus zag ik in januari al, op de zolder van een Leids koetshuis, met een colaatje in de hand, de verkruimeling en implosie van de sociaal-democratie. Onmachtig om vanuit een lange, politieke traditie te komen met een alternatief voor een acutueel, acuut en breed erkend sociaal probleem: de race tot the bottom naar de arbeidsmarkt. En de PvdA keek toe. <<

 

Rot zelf op! Waarom de VVD verliest

Wie is voorbereid, is niet verrast. Dus  bedenk ik nu al waarom de PVV op 15 maart de grootste partij van Nederland gaat worden. De zittende macht wordt mijn inziens afgestraft op hun eigen essentiële dossiers. De VVD op belastingen en de zwaardmacht, de PvdA op arbeid. AFLEVERING 1: Rot zelf op! 

De zwaardmacht en belastingen vormen de kern van elke staat. Zonder geweldsmonopolie en inkomsten is het anarchie en willekeur. En in beide dossiers (Justitie & Veiligheid en de Belastingdienst) gaat het in Nederland even hopeloos mis. Als we de criticasters moeten geloven, is Nederland een anarchie, een maffiabende. Ard van der Steur is inmiddels afgetreden, staatssecretaris Eric Wiebes wacht nog een zware campagne. De concurrentie zal zijn onvermogen orde op zaken te stellen, uitsmeren over de gehele partij, inclusief premier Rutte.

Een afgetreden minister verschoont en zet onder normale omstandigheden toch een rem op het dossier. Tenminste, dat was altijd de mos in de Kamer. Bij Kamerbreed (Radio 1) opende Emile Roemer echter een deurtje naar een – electoraal zeer gunstig – vervolg: wat kunnen we in deze bonnetjes-affaire toerekenen aan de ‘controlfreak’ Rutte?

Normaliter belt de premier bij gevoeligheden meerdere keren per dag met betrokkenen en nu zou hij van niets weten? De retorische vraag stellen is deze beantwoorden. Want niet-bellen is ongeloofwaardig en geloofwaardigheid de klinkende valuta op de politieke markt waar naar de gunst van de kiezer wordt gedongen. Partijen die nu zeggen klaar te zijn met de affaire hebben boter op hun hoofd als ze blijven roeren in de oersoep die uit de erfenis van Ard van der Steur druipt. Twee ministers, een staatssecretaris en een Kamervoorzitter werden geofferd voor een bonnetje … Het blijkt niet genoeg. De scalp van Rutte ligt voor het oprapen.

Dan de Belastingdienst waar de chaos inmiddels zulke proporties heeft aangenomen, dat helemaal niemand er meer verantwoordelijk voor is, behalve de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. Eenmaal won de dienst internationaal aanzicht, in de jaren negentig. Sindsdien is het innen van de belastingen vast onderwerp op economie-redacties. Sterker: deze week plofte een rapport op de mat met daarin de waarschuwing dat innen van belastingen straks misschien helemaal niet meer kan. Zo ernstig is het inmiddels.

Beide affaires raken de staat in haar kern en op beide dossiers rijden VVD-bewindspersonen een scheve schaats. Het is aan de kiezer om het narratief te slikken waarmee Rutte de boer op gaat: wie zich niet wil schikken naar onze normen voor normaal gedrag, rot maar op. Maar met deze affaires aan zijn broek zal dat wel eens precies de uitspraak van de kiezer kunnen zijn: na gebleken gebrek aan normbesef orde op zaken te stellen, is het misschien tijd om zelf eens op te krassen. En is de kans bijzonder groot dat Ruttes oud-collega Geert Wilders Neerlands grootste partij wordt. De PvdA heeft namelijk een ander enorm probleem, waarover in een volgend blog meer.

Checken van claims

Journalistiek moet naarstiger op zoek naar een methode. Dat maakt de feiten die ze produceert (waaruit al een keus spreekt) niet alleen robuuster, maar ook vatbaarder voor kritiek. Daarom: Joel Bests Social Problems als handvat voor politiek journalisten. 

Construeren van sociale problemen, schrijft Joel Best in zijn Social Problems, gaat over het maken van claims. Mensen claimen dat er een probleem is – de vraag of dat probleem er daadwerkelijk is, doet nauwelijks ter zake. Of u nu gelooft dat vluchtelingen het probleem zijn of, om andere redenen, een aanzet tot een oplossing, maakt voor de claim niet zoveel uit: in beide gevallen missen we een benchmark buiten onze eigen overtuiging om voor eens en voor altijd te kunnen bepalen welke van de twee het nu is. Een belangrijke kwaliteit van een sociaal probleem is dat het geen feit is waarover geen debat meer bestaat, maar het resultaat is van verschil(len) van mening.

Openbaarheid

Zo’n claim heeft specifieke kenmerken, oorzaken en (veronderstelde) oplossingen en is dus kenbaar voor het publiek. De noodzakelijke voorwaarde voor een claim is het publieke karakter ervan. Zonder openbaarheid geen claims. Best presenteert in zijn boek een ‘historisch’ model dat zeer bruikbaar is voor het (re)construeren van die sociale problemen, ook voor (politieke) journalistiek. Daarom staat Bests claimsmaking hier centraal.

Bests model van sociale problemen bestaat uit (maar liefst) zes stappen: claimsmaking, media-aandacht, publieke reactie, beleidsvorming, sociaal-probleem-werk en beleidsuitkomsten. Nu bestaat het leven niet uit duidelijk afgescheiden fases – was het maar zo’n feest. Best biedt met zijn model wel een schema waarmee die warrige werkelijkheid enigszins kan worden geordend en, niet onbelangrijk, keuzes in die ordening ook zichtbaar zijn en, belangrijkste: ter discussie kunnen worden gesteld.

Macht en retorica

Bij elke stap, merkt Best op, zijn niet alle betrokken actoren gelijkwaardig. Sommige hebben meer macht, aanzien, kennis of een breder netwerk dan anderen. En niet alle actoren hebben dezelfde vermogens om hun standpunt met betrekking tot een sociaal probleem te verwoorden: bij elke stap in het ontstaan van sociale problemen “a troubling condiditon can be reconstructed to fit the concerns of the actor involved in that stage (Best 2013: 24)”. Dat maakt het proces juist zo lastig om te overzien: actoren gaan rollen-bollend over straat waarvan willekeurig verslag wordt gedaan.

Ja, het gaat in al die fases om angst en horror, sympathie en begrip. Actoren spelen met gevoelens ten voordele van de claimsmaker (en ten nadele van diens tegenstanders). Tegelijkertijd willen zij objectiveren, van opinies feiten maken en andersom. Het gaat niet alleen om gevoel, ook om inhoud. Macht en retorica strijden om dominantie over het toelaten of afwijzen van een probleem. Bests benadering van sociale problemen sluit daarom ook zo goed aan bij politieke journalistiek: de verslaggeving en analyse van die verbale strijd.

Constructivisme 

Daarmee omarmt Best sociaal constructivisme als benadering van sociale problemen. En dat is voor veel commentatoren een lastige. Constructivisme heeft een slechte naam: anaything goes. Er zou geen waarheid meer bestaan, alles gaat schuiven als we accepteren dat iets niet is, maar wordt verondersteld. Toch leven we in “the modern age”, schrijft Arendt, “which believes that truth is neither given nor disclosed to but produced by the human mind”.

Kortom: ook journalisten zijn producenten van kennis en cultuur. Het is eerlijk als de methode waarmee ze dat doen, kenbaar is voor anderen. Best biedt handvatten om dat ‘productieproces’ inzichtelijk te maken en vatbaar voor kritiek. Zijn benadering van claims verdient meer aandacht van politiek journalisten. Zeker in de hoogtijdagen van de politieke claim: de verkiezingsstrijd. Want het zal u na mijn vorige stuk niet verbazen dat ik ervan overtuigd ben dat die strijd niet om feiten draait, maar om claims. De vraag rijst wat journalisten daarmee gaan doen. <<

Best, J. (2013) Social problems, New York: W.W. Norton

Pagina 1 of 212

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén